Pages

M.D.S. / M.P.N. criteria

Chronisch Myelo Monocytaire Leukemie (C.M.M.L.)
Deze ziekte heeft zowel kenmerken van dysplastische als ook van proliferatieve aard. De C.M.M.L. is een klonale afwijking uitgaande van de haematopoëtische stamcel. Hierbij zijn de myeloïde en monocytaire cellijn betrokken.
Er wordt een onderverdeling gemaakt in 3 subgroepen, gebaseerd op het aantal blasten in bloed en beenmerg.
diagnostische criteria voor C.M.M.L. zijn:

– persisterende monocytose > 1 x 109/L en > 10% monocyten in perifeer bloed

– afwezigeheid van BCR-ABL1 fusiegen (CML), P.M.F., P.V. of E.T.

– geen herschikking van PDGFRA, PDGFRB, FGFR1 herrangschikking of PCM1-JAK2.

– aantal blasten < 20%

– dysplasie in 1 of meer myeloïde cellijnena)

– aantonen van een klonale evolutie

ad a:
De diagnose C.M.M.L. kan ook bij afwezigheid van dysplasie gesteld worden als aan de andere voorwaarden wordt voldaan en er een verworven klonale cytogenetische of moleculaire afwijking aanwezig is in het beenmerg
óf
als de monocytose langer dan 3 maanden aanwezig is
én
andere oorzaken voor de monocytose uitgesloten worden (maligniteit, infectie, ontsteking)

Schema voor differentiatie van C.M.L. / a-C.M.L. / C.M.M.L.:

C.M.L. a-C.M.L. C.M.M.L.
BCR/ABL1 fusiegen aanwezig afwezig afwezig
Basofielen aanwezig / toegenomen afgenomen / afwezig afgenomen / afwezig
Monocyten < 3% 3-10 % > 10%
dysplasie granulocyten niet aanwezig sterk aanwezig kan aanwezig zijn
Voorlopers > 20% 10-20 % < 10%
Blasten ca. 2 % > 2% < 5 (10)%

Morfologie :

Perifeer bloedbeeld :
In het perifere bloedbeeld is een monocytosis van > 1 x 109/L (> 10%), naast meestal een geringe leukocytose (15-50 x 109/L). Het aantal myeloblasten/monoblasten/promonocyten is voor C.M.M.L.-0 < 2%, een C.M.M.L.-1 2-4% en voor C.M.M.L.-2 5-19%. De monocyten kunnen morfologische afwijkingen vertonen , m.n. afwijkende granulatie, extreme lobulatie, bizarre vormen, fijnmazig chromatinepatroon. Het aantal trombocyten is normaal of verlaagd. Myeloïde voorlopers (promyelocyten, myelocyten) zijn meestal < 10%. Meestal is er dysplasie in de granulocyten, m.n. hypolobulatie, afwijkende chromatinecondensatie en hypogranulatie aanwezig.
Beenmerg :
Het beenmerg is hyperplastisch, vertoont een myeloïde proliferatie en hiernaast een wisselend aantal cellen van de monocytaire reeks. Door de proliferatie kan de erytropoëse gedeeltelijk verdrongen zijn. Deze kan ook geringe megaloblastaire kenmerken en wat vacuolisatie vertonen. Ook de megakaryopoëse kan gedeeltelijk verdrongen zijn en morfologische afwijkingen in de vorm van slechte segmentatie en micromegakaryocyten vertonen.

Op basis van de telling in het perifeer bloed en beenmerg wordt de C.M.M.L. onder verdeeld in 3 categorieën:
C.M.M.L.-0: In het perifere bloed < 2% blasten en in beenmerg < 5% blasten
C.M.M.L.-1: In het perifere bloed 2-4% blasten en/of in beenmerg 5-9% blasten
C.M.M.L.-2: In het perifere bloed 5-19% blasten en/of in beenmerg 10-19% blasten en/of eventuele aanwezigheid van Auerse staven.
Hierbij worden promonocyten bij de blasten opgeteld.

Immunofenotypering kan hierbij een hulpmiddel zijn voor de differentiatie tussen de myeloïde en monoïde cellijnen.

Immunofenotypering :
vaak wordt een aberrante expressie op de monocyten gezien; afname van expressie van CD14, overexpressie van CD56, aberrante expressie van CD2 of afname van HLA-Dr expressie, CD13, CD15, CD64 of CD36.

 

atypische Chronisch Myeloïde Leukemie (a-C.M.L.)
heeft zowel dysplastische als ook proliferatieve kenmerken en wordt gekenmerkt door een myeloïde proliferatie met dysplasie en voorlopers in het perifere bloed. Het Philadelphia-chromosoom wordt niet aangetoond.
Diagnostische criteria zijn:

1 – leukocytose (> 13 x 109/L) ten gevolge van toename myeloïde cellijn met dysplastische kenmerken; >10% is onrijp myeloïd

2 – geen Philadelphia chromosoom of BCR-ABL1 aantoonbaar, voldoet niet aan de WHO-criteria voor diagnose P.M.F., P.V. of E.T..

3 – geen genherschikking van PDGFRA, PDGFRB of FGFR1, of PCM1-JAK2.

5 – geen toename basofiele granulocyten (<2%)

6 – geen of minimale monocytose, monocyten < 10%

7 – hypercellulair beenmerg met myeloïde proliferatie en dysplasie, al dan niet gekombineerd met dysplasie in de erytropoëse en megakaryopoëse

6 – < 20% blasten in bloed of beenmerg

Schema voor differentiatie van C.M.L. / a-C.M.L. / C.M.M.L.:

C.M.L. a-C.M.L. C.M.M.L.
BCR/ABL1 fusiegen aanwezig afwezig afwezig
Basofielen aanwezig / toegenomen afgenomen / afwezig afgenomen / afwezig
Monocyten < 3% 3-10 % > 10%
dysplasie granulocyten niet aanwezig sterk aanwezig kan aanwezig zijn
Voorlopers > 20% 10-20 % < 10%
Blasten ca. 2 % > 2% < 5 (10)%

Morfologie :

Perifeer bloedbeeld :
In het perifere bloedbeeld is een leukocytose altijd > 13 x 109/L, variërend van 30-100 x 109/L, met hierin vele onrijpe vormen, het aantal blasten is meestal < 5%, maar altijd < 20%. De cellen van de myelopoëse vertonen dysplasie, m.n. bizarre segmentatie, pseudo Pelger-Huët vormen en afwijkende granulatie. Er bestaat vaak een normochrome makrocytaire anemie, met de aanwezigheid van erytroblasten. Het aantal trombocyten is normaal tot verlaagd.
Beenmerg :
Het beenmerg is hyerplastisch waarbij er een proliferatie van de myelopoëse zichtbaar is met een linksverschuiving. Het aantal myeloblasten varieert van 3-10 %. Ook in het beenmerg is dysplasie in de myelopoëse aanwezig. De erytropoëse vertoont veelal ook dysplasie in de vorm van megaloblastaire kenmerken en meerkernigheid. De megakaryopoëse is normaal tot verminderd, waarbij veelal ook dysplasie aanwezig is in de vorm van slechte segmentatie en micromegakaryocyten.

 

M.D.S./M.P.N. met ring sideroblasten en trombocytosis (M.D.S./M.P.N.-R.S.-T)
is nu een aparte entiteit met een trombocytosis (>450 x 109/L) in combinatie met een refractaire anemie met dysplasie en >15% ring sideroblasten en megakaryocyten die morfologische kenmerken hebben die ook voorkomen bij P.M.F. of E.T.

 

 

last updated 02-05-2017